| De mythe van het kunstenaarschap, door Marc Mulders |
Notities over ‘De mythe van het kunstenaarschap’, Camiel van Winkel i.o.v. FVBK, Amsterdam.
In het kader van deelname aan het debat van M.M. over dit essay, 15.11.07 Felix Meritus Amsterdam.
Camiel van Winkel definieert in zijn essay drie typen van de mythe van het kunstenaarschap. Na op p. 23 de romantische kunstenaar te hebben ontleed volgt op p. 24 de tweede mythe, het zg. modernistisch kunstenaarschap. Ik citeer: ‘volgens dit model berust de kunst op een vorm van negatie die eerder confronterend dan terugtrekkend is.’ En verderop: ‘kunstenaars bewegen zich in de voorhoede van de maatschappij; zij zijn de eersten die bepaalde omslagen en transformaties in de maatschappij aanvoelen en verdisconteren in hun werk. Bij het constante verleggen van hun persoonlijke grenzen doorbreken zij als vanzelfsprekend maatschappelijke taboes.’
Zelf beeldend werkzaam lees ik deze tekst met het oog op een eventuele herkenning van mijzelf in het geschetste beeld. Welke mythe past mij?
1. De romantische? Waar het kunstwerk is als een directe afspiegeling van de ziel.
2. De modernistische/avantgarde?
Of:
3. De kunstenaarsmythe die teruggaat op het klassieke of Beaux-Artsmodel? Ik citeer: ‘Hieronder vallen oude, om niet te zeggen archaïsche notities zoals meesterschap en metier. De nadruk ligt op studie, oefening en toewijding; op beheersing en geduld; op de overdracht tussen generaties; op historische continuïteit en de cumulatie van kennis.’
Ik vind dit een zeer boeiende analyse. Herkenbaar ook.
Eerst ga ik zeggen wat ik van mij persoonlijk als kunstenaar in deze typeringen herken, of niet.
Daarna ga ik in op de vraag die Camiel van Winkel stelt of het derde model, het Beaux-Artsmodel, een antwoord is op de crisis die de eerste modellen teweeg hebben gebracht volgens de schrijver. (zie daarvoor p. 86)
1. Dus nu mijn persoonlijke herkenning.
Ik denk inderdaad dat mijn attitude, idealisme en strategie, zoals o.a. verwoord in het statement van de Tilburgse School 1997, een schermen met de drie geuzenbegrippen religie, traditie en ambacht, op zich voldoet aan de criteria van het modernistisch kunstenaarschap. Want het daarin besloten instrument van de avant-garde-daad, d.i. het tegen de heersende tijdgeest ingaan, voldoet blijkbaar volledig aan mijn vocabulaire.
Camiel van Winkel stelt: ‘bij het constante verleggen van hun persoonlijke grenzen doorbreken zij als vanzelfsprekend maatschappelijke taboes.’ (p. 25) En inderdaad, het maatschappelijk taboe, en in de media, en in onze vakwereld, was met name het begrip religie (maar evenzo ambacht en traditie). Religie immers is sinds de jaren zestig verbannen naar de periferie van de samenleving. Het waren de eerste dagen van Big Brother, en ‘Ushering in Banality’ (en inderdaad in die dagen was veel om ons heen al van een stuitende banaliteit) heette de expositie van Jeff Koons in het Stedelijk. Mijns inziens was Jeff Koons daar al geen avant-gardist meer, want zijn omhelzing van porno en banaliteit werd niet gesublimeerd (zoals bijvoorbeeld Louise Bourgois dat wel kan), maar slechts ‘ten toon’ gesteld.
Begin jaren negentig sprak ik in interviews in o.m. NRC, Parool en Volkskrant en HP de Tijd over mijn wens om door middel van re-legeren, het herlezen, re-eligeren, het herkiezen, te komen tot een attitude van re-eligare, d.i. weer verbinding, verband en verbond nastreven, in de driehoeksverhouding kunstenaar-toeschouwer-God. De verbinding, zo stelde ik mij voor, zou haar praktische toepassing vinden door, naast de huiskamer en het museum, ook de Kerk te mogen voorzien van –opnieuw- glas-in-loodramen. En door mijn modelabel Stop Bleeding zouden de kledingstukken en assecoires zelfs – vergeef mij het woord – een evangeliserende functie kunnen vervullen (bijvoorbeeld: een handtas van Stop Bleeding: als ik op de stof een vis met in de buik een afbeelding van Maria positioneer, is dat een teken dat Maria als in de Ark van Noach bewaard moet blijven voor betere tijden, wanneer men haar weer wel wil zien).
De reacties op mijn woorden waren zeer heftig. Ik haal hier een reactie van critica Janneke Wesseling in de NRC in 1999 aan omdat die veel zegt over het spanningsveld Religie in de moderne kunst. Janneke Wesseling sprak in de NRC cynisch dat ik schilderde voor een betere wereld en dat de verf futloos was, een grijze brij, en ik was zowel de music voor de millions maar ook nog eens de Julio Iglesias van de schilderkunst... Interessanter is het volgende aangaande het spanningsveld van Religie in de Moderne kunsten, want er staat een interessante veroordeling van Janneke Wesseling, waarin zij ‘HET MODERNISME’ wil laten triomferen boven ‘Religie’
N.a.v. mijn bewondering voor enige witte monochromen schilderijen van Robert Ryman, die mij deden denken aan witte bloeduitstortingen op het corpus van Christus schrijft zij;
‘Hij voegt niets toe, al probeert hij dit wel, door mee te liften met 20ste-eeuwse pioniers van de monochrome schilderskunst, zoals Robert Ryman. Mulders voert een kruistocht tegen de conceptuele, autonome kunst. Alleen wie volkomen verblind is door dogma’s en er geen probleem in ziet zich het gedachtegoed van een ander volledig toe te eigenen kan tot een dergelijke interpretatie van Ryman, onceptueel schilder ‘pur sang’ komen.’
(Ook veelzeggend voor de politiek correcte anti Religie en ‘leve het modernisme’ juichstemming en klimaat van toen en nu is dat zij in een boek over Jan Schoonhoven trots schrijft dat hij op een bepaald moment op verzoek van verzamelaars alle Religieuze titels van zijn monochromen reliëfs weg haalde.)
Daarnaast waren er in dit nog pré-Pim Fortuyn en 9/11-tijdperk vele hatemails, met termen als ‘debiel-katholiek’, ‘ayatollah van het zuiden’ en verwensingen als ‘pleeg toch zelfmoord’.
Welnu, met bovenstaande schets kan ik dus stellen (met een glimlach) dat in mijn kunstenaarshouding een avantgardistisch element schuilging; dat van e opstand, weerstand, rebellie tegen de ‘heersende’ critci en bourgeoisie. Vanwaar anders al die tegenstand? In het verkennen van mijn persoonlijke grenzen stuitte ik klaarblijkelijk op het maatschappelijke taboe en het taboe in de kunsten, namelijk dat van de religie. (En dan heb ik het nu maar niet over het feit dat er binnen het modernisme het dogma heerste van het schrale schilderen. Een expressieve verfopbrengst met wat meer materie werd ook als ouderwets afgedaan, het was passé.)
2. En dan nu het tweede onderdeel: Is de terugkeer van het Beaux-Artsmodel een antwoord op de door Camiel van Winkel beschreven crisis in de kunsten?
De eerste twee modellen worden door de schrijver kritisch besproken, ze voldoen volgens hem niet meer. ‘Waar het romantische kunstenaarschap dreigt te bezwijken onder vormeloosheid en een gebrek aan vrije wil, riskeert het modernistische kunstenaarschap juist verlamd te raken door een overmaat aan distantie en zelfbewustzijn.’
Op p. 30 vraagt de schrijver zich af of het derde model, het Beaux-Arts model, een uitweg voor deze dreigende crisis kan vormen. ‘Het herinnert de kunst a.h.w. aan haar eigen vakmanschap en oefent daarmee een stabiliserende werking uit. Het relativeert de spirituele missie van de kunst door een herwaardering van techniek en methodiek. Het herstelt de balans tussen het doel en de middelen.’
Heeft Camiel van Winkel hier een punt?
Ja. Ik denk dat we in de beeldende kunst op een nul-punt zijn beland en dat het tijd wordt voor een antwoord.
Dat antwoord kan liggen in het BeauxArts-model mét behoud van die avantgardepositie. Die avantgardepositie is echter aan een drastische herdefiniëring toe.
Ik geloof in de ‘revolte strategie’ , onderdeel van de ‘modernistische avantgarde positie en dat wel tezamen met het BeauxArts- model. Als avantgarde synoniem is met een zowel picturaal als inhoudelijk-idealistich streven, een revolte, dan is er werk aan de winkel voor de kunstenaar. Even naar nu getrokken: in deze tijd zou het dan niet moeten gaan om nog meer taboes slechten, maar juist om taboes te helen, weer verbinden wat verbroken is. Dan ga je tegen de stroom van de tijd in en zit je als kunstenaar in de voorhoede. ( lees avantgarde?)
Wat is er de afgelopen jaren gebeurd? Avantgarde in de kunst is ‘aanpassing’ geworden. Politiek correct wordt er in de kunst nagedaan en overgedaan wat we in de media en in de werkelijkheid om ons heen ook al in het kwadraat aanschouwen. Het nihilistische landschap van Talpa, SBS en Porno-laat kan door de kunstenaar klaarblijkelijk niet worden gesublimeerd. Al die ontwrichting, fragmentatie en cynisme wordt te vaak dor de kunstenaar alleen maar opnieuw geïnstalleerd (niet eens gesublimeerd).
Kijk naar het laatste nummer van Kunstbeeld dat met zijn porno-thema hevig achter de feiten aanloopt, maar denkt midden in de wereld te staan. Het enige wat de Avantgarde hierop kan antwoorden is met een tegenmodel van ‘helen’.
En dan kom ik uit bij het BeauxArts-model.
Dit derde model draagt de begrippen bij zich van herlezen, herkiezen, herbinden (re-legeren, re-eligeren en re-eligare). Het toekomstige doel van de kunstenaar is schoonheid te brengen, troost en generositeit. Dat vraagt het kale landschap van onze samenleving. En dat moet inderdaad gepaard gaan met techniek en methodiek. Dus zullen de academies weer studenten moeten aannemen met wezenlijke talenten en zullen ze hun studenten op de klassieke leest moeten scholen. Kunstenaars op hun beurt zullen hun kunstenaarspose moeten laten varen en zichzelf een andere koek moeten voorhouden dan de heigerigheid om binnen drie jaar internationaal door te breken.
In plaats van het leven te bewateren en bevlekken, het nihilisme te koesteren moet het voor de kunstenaar de uitdaging zijn de schepping te omhelzen en te vieren.
Marc Mulders November 2007
‘ We no longer dare to believe in Beauty...We can be sure that whoever sneers at her name as if she were the ornament of a bourgeois past - whether he admits it or not - can no longer pray and soon will no longer be able to love...In a world without Beauty...the good loses its attractiviness.
Man stands before the good and asks himself why it must be done and not rather its alternative, evil. For this, too, is a possibility, and even the more exciting one: Why not investigate Satan’s depths? In a world that no longer has any confidence in itself to affirm the beautiful, the proofs of the truth have lost their cogency.”
- Hans Urs von Balthsar -
--
‘It is the he sense of Beauty that attracts us to the True and to the Good’
‘Our age shall find again its sense of Beauty when it begins to see a marvellous innoence in the woundedness of our humanity. Art shall find its religious power once again when it addresses and comes forth from such a dynamic innocence.
For the power of truly religious art is to enkindle and renew in us again the core and source of our human dignity: the human capacity to archieve and bear a wounded innocence’
- Alex Garcia-Rivera - |
|
|