Lezing 'De Apokalypse van binnenuit'

Jaren geleden bracht ik bijna al mijn tijd door in bibliotheken. In een van die bibliotheken, in de Amsterdamse Spuistraat, kwam ik onlangs even iets opzoeken. In de buurt van een trap naar boven trof ik een oudere man aan die er vijftien jaar geleden ook al zat. En hij was verdiept in een dik schift waarin de getallenreeksen en sommen scherp aftekenden. Zo’n schrift had hij jaren geleden ook al voor zich, en aan de smoezeligheid ervan te oordelen, zou het wel eens hetzelfde schrift kunnen zijn.

Destijds hoorde ik deze man in de nabijgelegen kantine wel eens praten met een andere man van het slag dat ooit treffend ‘paradijsvogels’ is genoemd. Die gesprekken waren niet echt te volgen; er klonken listige theorieën, en waterdichte aanwijzingen voor alle mogelijke complotten. Mij is daarvan niet veel bijgebleven, behalve dat ze het heel vaak over Joop den Uyl hadden. Den Uyl als de antichrist ongetwijfeld, en die berekeningen die stonden vast en zeker in het teken van het bepalen van het Laatste Oordeel.

Want zo kun je het laatste boek van de Bijbel, de Openbaring, lezen: als een heel moeilijke wiskundeopgave. Overal in de tekst zitten getallen verstopt, en het is zeker dat die een betekenis hebben. Maar welke betekenis? En ook de tegenwoordige wereld zit vol met cijfers, maar wat betekenen ze? Die man onder aan de trap was dat aan het uitrekenen. Een vergelijking met honderden, duizenden, miljoenen onbekenden. Toch meende ik aan zijn schrift te zien dat hij dacht dat hij dicht bij de slotsom zat.

Het afspeuren van de hemel naar tekenen die aankondigen dat er recht gesproken gaat worden, het lijkt soms in de mode en dan weer een tijdje niet. Nu is het in de mode – mijn dochter van 14 heeft me onlangs uitgebreid onderhouden over 21 december. ‘Wat is er dan 21 december,’ vroeg ik. ‘Pap, weet je dat dan niet, de Maya-kalender loopt dan af.’ Nu had ik daar wel over gehoord, maar pas toen mijn dochter erover begon, kon ik me er een beetje voor interesseren.

Vervolgens heeft ze lange tijd met me gediscussieerd over wat ons de komende maanden nog te doen staat, inclusief al ons spaargeld opmaken. En op het schoolplein had ze een paar leuke sommetjes opgevangen; ‘weet je dat bij elkaar opgeteld 21 december en 11 september precies evenveel is?’ Als je het zo onnauwkeurig formuleert, is het ongetwijfeld waar, bracht ik er tegenin. Ze vond me niet leuk meer.

Dit is de postmoderne variant van de Apokalyps – het Laatste Oordeel als hype, als een Olympisch vuur dat door Matthijs van Nieuwkerk en tafelgenoten, in wekelijkse etappes naar de 21ste december wordt gedragen. Daarna gaan we weer over tot de orde van de dag. Dat liet ik me ook tegenover mijn dochter ontvallen. En dat had ik niet moeten zeggen. ‘Hoe weet je dat nou?’

De Openbaring, of Apokalyps, van Johannes van Patmos gaat in ruime kring door voor een toekomstvoorspelling, als een bijbelboek waarin symbolen, kleuren, cijfers en cryptische formules de lotsbestemming van de mensheid tot uitdrukking brengen. Het is zo’n ingenieuze reeks onheilstijdingen en bezweringen, dat een oppervlakkige lezer het ene moment meent dat zijn broekpijpen al vlam beginnen te vatten en het andere moment denkt dat het allemaal wel los loopt. Want de schrijver van de Apokalyps laat met name Jezus erg mooie poëtische dingen zeggen: ‘Ik was dood, en zie, ik leef in de eeuw der eeuwen’, of de bekende formule ‘Ik ben de Alfa en de Omega, de eerste en de laatste, de oorsprong en het einde,’ meteen gevolgd door, ‘Zalig [zijn] zij die hun kleren rein wassen’

Maar het is moeilijk om de Apokalyps binnen te komen. Het lijkt voorbehouden aan theologen, kabbalisten en kunstenaars. Je moet op een niet al te doorsnee manier denken om in deze wereld thuis te raken. Toch heeft het een ongekende aantrekkingskracht op gewone stervelingen. Hoe werkt een rechtbank waar je zonder advocaat naartoe moet, waar vormfouten je nimmer te hulp zullen schieten? In geen geschrift is de spanning tussen het kwaad en het recht zo tastbaar als in de Apokalyps.

De Apokalyps biedt een knetterend schouwspel waar nine-eleven wel duizend keer in past. Maar is de moderne mens ook in staat de Apokalyps te ondergaan als een visioen dat over hém gaat?

Laten we het even over de moderne mens hebben. Over de moderne mens die zekerheden wil, die altijd wil kunnen eten, drinken, en die bij pijn recht op verdoving eist. Mijn ouders, de ouders van mijn vrienden, ze stammen nog van vóór de oorlog – pijn hoort bij hun jeugd, bij hun leven. Kou, hitte, dorst, honger, dit alles lijkt in zijn barre essentie uit het leven van de moderne consumerende mens verdwenen. Van generatie op generatie wordt de illusie van een pijnloos bestaan sterker.

De keerzijde is het voortdurende gevoel van verzadiging waar de mens aan lijdt, aan het voortdurende teveel. En dus eet hij zonder echt honger te hebben, drinkt hij zonder dorst, heeft hij seks zonder begeerte, en moordt hij zonder motief.

De tegenwoordige Apokalyps is de sluipende leegheid die bezit neemt van gemeenschappen. Hoe complexer een samenleving, hoe meer behoefte aan verdoving, hoe meer neiging om op de rand van verzadiging te leven. Tot het alles verzengende niets door het hoofd begint te gonzen. Nog even wat eten, een tussendoortje, om maar niet naar dat dreigende niets te hoeven luisteren. De tv aan, even naar het nieuws kijken, hier een ramp, daar een aanslag, auto’s drijven van links naar rechts in een woeste modderstroom over het beeldscherm. Het is ver weg, maar we kunnen het goed bekijken. Hé, in Groningen breken de dijken bijna door – het zal toch niet, welnee, daar hebben we Rijkswaterstaat voor. Nou, nu weten we het wel.  Gelukkig is er de afstandsbediening.

Dit balanceren op de rand van het teveel, dat ons gevoel afstompt en ons apathisch maakt, houdt ons weg bij het geheel aan scherpe ervaringen dat onze voorouders met elkaar deelden. Het deed hen regelmatig naar de hemel kijken,  neerknielen in tempels en kerken en naast de weg, en het deed hen ook vergeefs verlangen om te weten waar het uiteindelijk op uit zal draaien. Dat is een noodgedwongen niet-weten om des te intenser te kunnen geloven.

Het lijkt de taak van kunstenaars om dit vuur gaande te houden. Een kunstenaar begint bij het gevoel van gemis: iets maken dat er zou moeten zijn, maar er nog niet is. Sommige kunstenaars gaan daarin heel ver.  Ze gaan voorbij het punt waar gewone mensen nog kunnen waarnemen. In een religieuze context levert dat visioenen op zoals de Openbaring, in de kunsten levert het een film op als Apocalypse Now of  muziek als ‘The End’ van The Doors. ‘Desperately in need of some stranger's hand,’ zingt Jim Morrison, ‘In a desperate land.’

Morrison is hier 24 jaar oud, en hij is voorbij het punt waar mensen hem nog kunnen volgen. En hij gaat door: ‘Lost in a Roman wilderness of pain.’ Zoals we weten keerde Morrison, ondanks de vele briljante momenten die nog kwamen, niet meer terug. De visoenen golfden over hem heen, en hij eindigde een paar jaar later in een Parijs hotel – hij was in zijn stervensuur al vele maanden niet meer bereikbaar voor zelfs zijn meest intieme vrienden.

Het is gevaarlijk voorbij het punt waar de wereld eindigt en de visioenen beginnen. Denk aan Francis Ford Coppola’s Apocalypse Now. Een Vietnamfilm die maar geen oorlogsfilm wil worden, maar uitloopt op een reis naar de buitenste sferen van het menselijk voorstellingsvermogen. ‘The End’ van Jim Morrison en The Doors keert daarin terug. Morrison was toen al dood en kreeg dus niet mee hoe het werken aan deze film de belangrijkste makers volkomen ontregelde. Martin Sheen, Marlon Brando, Robert Duvall, Dennis Hopper, zelden is een cast meer buiten zinnen geweest. En toch raak je als kijker niet de draad kwijt. Het is de hand van de regisseur. Als iemand de grenzen opzocht en de onvoorstelbare tastbaar probeerde te maken dan was het Coppola wel. Uit de memoires van Coppola’s vrouw Eleanor weten we dat de film in bijna-psychose tot stand is gekomen: ‘Lost in a Asian wilderness of pain’.

Dat de Apokalyps, ‘The End’ en Apocalypse Now, onlangs in Het Eindhovens Dagblad juist door  Marc Mulders, zeer zelfbewust, met elkaar verbonden werden, heeft een diepere betekenis. Diens nu verschenen ‘glossy’ van de Apokalyps is zinderend, verontrustend, maar ook hoopvol. We worden omspoeld door rampen, meer dan ooit lijkt het wel, maar het ‘goede’ zal overwinnen. Het is niet toevallig dat het goede in de niet-menselijke natuur ligt. De schuldeloze natuur.

Kom je als schilder zo ver, dat je met compassie naar de wereld kunt kijken maar ook met pijn en het volle besef van alle rampen die de mens over zichzelf afroept, dan ben je een bepaald punt voorbij. Een punt waar anderen niet voorbij durven.

Marc Mulders’ vrienden weten hoe hij al jaren de grenzen opzoekt, en er ook overheen gaat. Hoe hij ontsnapte aan de dagelijksheid – het moderne dagelijkse leven komt in zijn werk niet voor. Voor zover er menselijke gestalten in voorkomen behoren ze veelal tot wat we ‘iconen’ zouden noemen. En daar gebeurt iets merkwaardigs – die iconen, bijvoorbeeld heiligen uit middeleeuwse schilderijen, of David Beckham als reclametotem, worden weer mens. Vaak worden we rechtstreeks geconfronteerd met ‘pijn’, alsof Mulders via zijn werk de mensheid de ‘pijn’ terug wil geven. Pijn om weer wakker te worden. Pijn om het verschil tussen goed en kwaad weer te voelen.

Marc Mulders heeft veel risico genomen om zover te komen dat hij nu zijn Apokalyps kan presenteren. Het lot van Jim Morrison heeft hij kunnen omzeilen, hij heeft dicht tegen de ‘craze’ van Francis Coppola aangezeten, maar hij is uit de buitenste regionen teruggekeerd. De Apokalyps die nu als glossy verschijnt is wellicht de meest doorleefde en meest vitale versie ooit.

Als het jaar zo begint dan lijkt het ondenkbaar dat nog voor het verstreken is de wereld vergaat.

uitgesproken in het museum Catharijneconvent Utrecht 14.01.2012 - Rene van Stipriaan