Marc Mulders: Harmonie, daar gaat het om

Marc Mulders (Tilburg, 1958) is schilder, fotograaf en glazenier. Al in de jaren tachtig legde hij zich toe op het schilderen van piëta’s, Christus aan het kruis en andere religieuze voorstellingen. Hij maakte glas-in- loodramen voor, onder andere, de Nieuwe Kerk in Amsterdam en de Sint Jan in Den Bosch. Tot 10 januari 2011 is in het Glasmuseum te Leerdam zijn expositie ’The seven last words of Christ on the cross’ te zien. Morgen Op 1 januari zendt de Avro een documentaire over hem uit.

Marc Mulders: Harmonie, daar gaat het om

I - Gij zult de here uw god aanbidden en hem liefhebben met geheel uw hart, geheel uw ziel en met al uw krachten

„Het is in de goede zin van het woord een vorm van indoctrinatie geweest. Als kind zag ik plaatjes van Christus als een man met mooie ogen en lang, sluik haar. Later, op de kunstacademie, kwam ik diezelfde figuur tegen bij Caravaggio en bij Rembrandt – zelfs in ’Il Vangelo secondo Matteo’ van Pasolini lijkt onze lieve Heer op de Jezus van vroeger.

„Ik ben opgegroeid, dagelijks gevoed, met dat prachtige passieverhaal. Het is een ’toneelspel’ dat heel dicht bij de wezenlijke ervaringen – spanning, verontwaardiging, medelijden – komt maar uiteindelijk, net als de sprookjes van Roodkapje en Assepoester, niet meer geloofwaardig is. Wederopstanding? Hemelvaart? Dat kan toch niet kloppen? Het jongetje, de misdienaar, wordt van het mystieke, van de betovering, naar het hedonistische, economisch kapitalistische keurslijf gedirigeerd. Sneller, sneller, meer, meer!

„Ik heb me altijd afgevraagd hoe ik zonder sprookje toch gelovige kon blijven. Ik heb het communisme omarmd, ik heb me in het zenboeddhisme verdieptmaar ik ben geen communist, ik ben geen monnik – ik ben een katholieke jongen uit Tilburg. En ik begon, langzaam maar zeker, in te zien dat ik al met diezelfde boodschap van naastenliefde en opofferingsgezindheid was grootgebracht.

„Je kunt de woorden van Christus overal terugvinden. Bij Augustinus en bij Nietzsche. In de liederen van Huub Oosterhuis en de raps van Icecube. Toenadering zoeken, de ander nabij komen, harmonie: daar gaat het om.

„Ik kwam na jaren weer terug bij de katholieke kerk en ik begreep wat monseigneur Bluyssen bedoelde toen hij zei: ’Religie is een heilig spel.’ Het is een spel, maar je moet het wel serieus spelen. Ik oefen het nog iedere dag.”

II - Gij zult de naam van de heer uw god niet zonder eerbied gebruiken

„Volgens mij heb ik juist altijd het tegenovergestelde gedaan. Als een echte zendeling heb ik het, tegen de kritische tijdsgeest in, gehad over God, Christus en moeder Maria. Ik heb de kreet ’Onze lieve Heer’ – op z’n Tilburgs graag – bewust en vaak ook provocatief gebruikt. Ik dacht dat ik als kunstenaar religieus geaard werk kon scheppen, maar het geloof was passé. Sterker nog: de beeldend kunstenaar die zich met dat onderwerp bezighield, was verdacht. Sentimenteel. In de literatuur golden andere regels; daar had je Frans Kellendonk en Gerard Reve. En later ook Willem Jan Otten en Oek de Jong. Ik heb me er altijd over verbaasd hoe in mijn vakgebied alles bruikbaar is, op één ding na: het geloof in God.”

III - Gij zult de dag des heren heiligen

„Alhoewel ik kan lummelen wanneer ik wil, blijft zondag toch de dag voor ontlading en onthaasting. Als het aan Wilders en zijn adjudanten ligt, moet alles alleen maar sneller gaan. Meer asfalt, hogere snelheden. En aan spiritualiteit of bezinning hebben ze al helemaal geen boodschap meer. Maxime Verhagen en Henk Bleker, onze zogenaamd christelijke politici, verloochenen hun afkomst door in zee te gaan met een partij die, als je de antecedenten onderzoekt, blijkt te bestaan uit een zootje rotte peren, enge populisten die alleen maar in oneliners kunnen praten. Dit kabinet, deze zogenaamde oplossing voor alle onvrede en frustratie, is een laatste stuiptrekking van een tijd waarin het kennelijk nog leuk was om te horen hoe Paul de Leeuw een vrouw op tv voor ’overgangskut’ uitmaakte.

„Volgens mij heeft niemand daar nog zin in. Het publiek heeft de buik vol van boos, grof en lelijk. Ze willen ’Boer zoekt vrouw’, ze willen samenkomen en het goed hebben met elkaar. Mensen zoeken rust, contemplatie, balans. Het tij keert. Kijk maar eens goed om je heen: het is al begonnen.”

IV - Eer uw vader en uw moeder

„Ik ben altijd een buitenbeentje geweest. Als ik mijn broertje aanraadde een keer een goed boek te lezen, zei hij: ’Waar bemoei je je mee, nep-intellectueel?’ Het liefst sprak ik altijd en met iedereen over de geheimenissen des levens, maar ik kreeg wel in de gaten dat niet alle mensen van die poëtische benadering van het bestaan waren gediend. De gedichten die ik las, moest ik niet in de kleedkamer van mijn voetbalteam bespreken. Ik deed wel gewoon mee – ik was een goede midhalf in ons elftal – maar die andere wereld, de wereld van de kunsten, was er altijd.

„Ik wilde graag naar de kunstacademie, maar dan moest ik de havo doen, terwijl ik al moeite had met de mavo. Ik besloot om commando te worden, of marinier. Later begreep ik pas dat je dan misschien ook wel zou moeten doden, maar toen zag ik het als een avontuurlijk beroep; een soort eindeloze survivaltocht. Stoer gedoe. Mijn vader vond het een slecht idee. Hij heeft me gepusht om de academie te doen en daar ben ik hem voor eeuwig dankbaar voor. Hij zag dat daar mijn kracht lag, maar de scheidslijn tussen onze culturen – van mijn ouders en van mij – is nooit opgeheven.

„Mijn vader had een fabriek in machineonderdelen. Toen de zaak in de jaren zeventig failliet ging en hij ergens anders moest gaan werken, heeft mijn moeder – zo’n beetje als eerste in Nederland – een crèche opgericht. Het begon met vier kinderen uit de straat en na een paar weken was de opvang al helemaal volgeboekt. Later werd ze secretaresse – eigenlijk rechterhand – van een neurochirurg in het ziekenhuis. Ze heeft altijd veel voor anderen willen betekenen en is in die zin een groot voorbeeld voor mij geweest.

„Mijn vader is een heel ander type. Technische man. Op zichzelf. Hij houdt, net als ik, van de natuur, maar is daar het liefst in zijn eentje. Hij wil niet bij een club horen of samen dingen doen. Ik wil dat juist wél; ik wil met zoveel mogelijk mensen de schoonheid delen.

„Als ik weemoedig ben, zeg ik: ik heb er meer moeite voor gedaan om me aan te passen. Misschien komt het doordat ik hun wereld wel overzichtelijk vind. Ik denk dat ik voor mijn vader en moeder in een veel verder gelegen buitenland leef. Het is niet altijd makkelijk geweest om te accepteren dat we verschillende wegen hebben gekozen in het leven, maar zo is het: ieder kiest zijn eigen pad en het ene is niet beter dan het andere.”

V - Gij zult niet doden

„In 1999 schreef Janneke Wesseling in NRC een recensie van mijn soloexpositie in museum De Pont in Tilburg. Het was, op zijn zachtst gezegd, een moordaanslag. Ik zou een ’modderige grijze brij’ produceren, Music for the milions. Ik was de Julio Iglesias van de schilderkunst. Ik probeerde mee te liften met de 20ste-eeuwse pioniers van de monochrome schilderkunst, ik was een dogmaticus, ik voerde een kruistocht tegen de conceptuele, autonome kunst – en zo ging dat maar door. Eigenlijk mocht mijn kunst niet bestaan. De cynische kop boven het artikel was ’Mulders schildert voor een betere wereld’. Dat was 1999, de tijd waarin het gif – dat nu gestalte heeft gekregen in het kabinet-Wilders – binnen begon te druppelen. Afzeiken was in. Overspel was cool. Plasseksfoto’s in de kunst: wauw! Het ging niet tussen Wesseling en mij; het was een teken des tijds.

„Nadat de recensie was geplaatst, stuurden mensen verontwaardigde brieven naar de krant. Geen van die brieven werd geplaatst. Toen ik de zaak aanhangig maakte bij de Raad voor de Journalistiek, kwam Janneke Wesseling niet opdagen. Ik had die discussie graag in de krant gevoerd: hoe komt het toch dat mijn onderwerpkeuze zoveel weerzin oplevert? Ik kreeg hatemail, in het gastenboek van het museum liet iemand de boodschap achter: ’Dood aan Mulders. Pleeg maar zelfmoord.’ De storm ging liggen. Al kreeg ik af en toe nog te horen dat ik een ’achterlijke katholieke debiel’ was en ’de ayatollah van het zuiden’.

„Ik herinner me ook het commentaar van een criticus nog toen ik in De Hallen in Haarlem exposeerde: ’Liever het uit peuken opgebouwde Christusbeeld van Lucas (’Christ you know it ain’t easy’, Sarah Lucas, 2003, AV) dan het belerende toontje van Mulders’. Dus liever een melig, al dan niet blasfemisch beeld dan een poging van een Tilburgse jongen om iets waarachtigs, iets in de christelijke traditie te maken?

„Janneke Wesseling schreef denigrerend: ’Mulders wil troost bieden.’ Ja, natuurlijk! Mag dat dan niet? We zijn tien jaar verder. Nu mag het wel, geloof ik. Ze vragen me in ieder geval niet meer of ik zelfmoord wil plegen.”

VI - Gij zult geen onkuisheid doen

„Strenge ideeën over moraal en ethiek waren in mijn puberjaren al vervaagd. Als ik de mis oversloeg, kreeg ik misschien een reprimande, maar zelfs mijn ouders namen het met die kerkgang al niet meer zo nauw. Onkuisheid was beslist geen onderwerp in die tijd. Je zou kunnen zeggen dat het geloof eigenlijk aan zijn lot werd overgelaten.

„Tot mijn verdriet ging dat begrip onkuisheid later, toen ik weer terug was in de kerk, pas een rol spelen. Het begon al iets eerder, toen bisschop Williamson de Holocaust ontkende en de paus niet ingreep, maar het was helemaal gedaan toen ik mij op een avond realiseerde dat mijn homovrienden van de kerk eigenlijk geen homo’s mochten zijn. Al die lieve vrienden En ze houden zoveel van elkaar. Wat kan daar nou mis mee zijn? Ik merkte dat ik mij steeds meer voor mijn kerk ging schamen. De kerk dreigt aan vakidiotisme ten onder te gaan. De mensen die het er nu voor het zeggen hebben, zonderen zich af en zeggen: goed, dan komen er maar minder mensen, maar we hebben wél gelijk. Dat vind ik een eerste vorm van sektarisme. Toen ik die gedachte tot mij door durfde te laten dringen, kon ik niet anders meer dan de kerk verlaten.

„Als ik aan de bazen van ’mijn’ kerk, de Sint-Jan in Den Bosch, denk, krijg ik de neiging om te roepen: oké, jongens, zo is het mooi geweest. Huren jullie maar ergens een zaaltje op een industrieterrein en geef ons de Sint-Jan terug! En met ’ons’ bedoel ik dan de mensen die nu overal in Nederland in allerlei kerkgemeenschappen bij elkaar komen en nog iets bijzonders, iets waarachtigs, met elkaar delen. Kerkregels en dogma’s zullen te allen tijde herijkt moeten worden. Wie daar niet voor openstaat, kan beter vertrekken. Jezus heeft tenslotte ook de Farizeeërs de tempel uitgejaagd.”

VII - Gij zult niet stelen

„Waarom zou ik stelen? Ik wil de ander juist helpen. Die overtuiging gaat altijd aan alles vooraf. Willem Jan Otten vroeg mij een paar jaar geleden: ’Wat ben je eerst, Marc: kunstenaar of gelovige?’ Ik ben éérst gelovige. Schilderen is mijn grote passie, mijn obsessie, mijn alles, maar voor alles wil ik Jezus navolgen. Diefstal past niet in dat plaatje.

„Kunst en religie hebben voor mij met elkaar te maken, maar ik zou als kruidenier dezelfde overtuiging hebben gehad. Of als boer. Er wonen nogal wat boeren hier in de buurt. Er is er één die ik eerder een projectontwikkelaar zou willen noemen: hij steelt, met zijn ik-gedrag, van de schepping. Er is ook een boer, boer Roefs, die in één gesprek zoveel wijze dingen met je wil delen dat je alleen maar stil en ontroerd naar hem kunt luisteren. Dat is toch mooi?”

VIII - Gij zult tegen uw naaste niet vals getuigen

„Vroeger had ik een grote mond, maar zoals elke strateeg – en dat ben je, als kunstenaar – heb ik in de loop der jaren geleerd mijn strategie wat bij te stellen. Ik ben milder geworden. Ik voel me daardoor minder snel gekrenkt. En dat is maar goed ook, want als zoiets gebeurt, wordt mijn donkere kant zichtbaar. Ik ga, als ik vind dat mij onrecht werd aangedaan, kwaad spreken over een ander. Als een collega-kunstenaar iets vervelends heeft beweerd, zal ik roepen dat zijn of haar werk de laatste tijd niet zoveel meer voorstelt. Dat vind ik meestal ook echt, maar het is toch beter zoiets voor je te houden. In de boeken van Old Shatterhand en Winnetou wil je uiteindelijk toch ook het liefst de wijze, zwijgende indiaan zijn.”

IX - Gij zult geen onkuisheid begeren

„O, ik ben zo’n keurige jongen! Nee, echt. Kijk, een slippertje na een feestje – heb ik nooit gedaan – dat kan gebeuren. Je houdt je mond erover en je probeert met de leugen te leven. Of je biecht het op, je praat het uit, zand erover en weer door. Een paar slippertjes zou ook nog kunnen, maar structureel vreemdgaan en er letterlijk twee levens op na houden? Nee. Dat vind ik moreel volstrekt verwerpelijk. Wat is het ja-woord waard – ’in voor- en tegenspoed’ – als je een ander zoiets aan kunt doen? Als je écht zo verliefd bent op je buurvrouw, wees daar dan eerlijk over.

„Ik voel geen verleiding, ik hoef er niet mijn best voor te doen om mij aan die belofte te houden. Dat is mazzel, ik heb het gewoon heel erg met Trudy getroffen, maar ik draai het liever om: hoe is het mogelijk dat zij mij wil? Ik ben niet makkelijk. Dwingend. Het moet gaan zoals ik het wil. Daar komt bij dat ik een beroep heb dat allesoverheersend kan zijn. Zij werkt twee dagen per week als docent Nederlands, terwijl ze, met haar vaardigheden, al lang ergens rector of zo had kunnen zijn. Zij levert meer in voor mij dan ik voor haar. Als er straks een of ander jubileum komt, slaat een zin als ’Ik wil graag mijn vrouw bedanken, zonder haar was dit niet mogelijk geweest’ helemaal nergens op. Ik zou niet weten waar ik de woorden moest vinden die recht doen aan mijn gevoel van dankbaarheid en liefde voor haar.”

X - Gij zult niet begeren wat uw naaste toebehoort

„Ik heb nooit gedacht dat ik rijk en beroemd zou moeten worden. Toen ik in 1985 de Prix de Rome won, zeiden ze: nu ga je zeker in Amsterdam wonen? Eh hoezo? En internationaal doorbreken? Ook niet. Ja, ik heb via Barbara Farber, die destijds een galerie had in Amsterdam, in New York en Parijs geëxposeerd. Ik verkocht op beurzen in Miami, Bazel en Madrid, maar op een avond stond ik, met mijn vrouw en een vriend, op zo’n jetsetfeestje van Guerlain in een Frans kasteel, en dacht ineens: wat doe ik hier?

„Als ik was gebleven, had ik met de grote jongens mee kunnen doen, maar ik voelde me in die wereld helemaal niet thuis. Ik heb me teruggetrokken, mijn eigen ruiten ingegooid. Nee, nooit spijt van gehad. De vraag is hier groter dan het aanbod. Doordat zoveel mensen een ding van mij willen, weet ik dat ik nooit voor niks werk. Dat is een groot geluk.

„Ik heb zoveel. Eigenlijk heb ik al te veel. Het gevoel dat ik met minder toe kan, wordt steeds sterker. Ik wil geen bagage. Het gaat mij om de ontmoeting. Die moet waarachtig zijn. Het hoeft niet meteen over de zin van het leven te gaan – ik wil het ook best over de toekomst van Ajax hebben – maar ik wil mij altijd oefenen in het wezenlijk samenzijn met anderen. Ik oefen het gedicht dat leven heet. Ik cirkel om het mystieke hart, als een bij om een bloem. En net als die bij ga ik op een dag naar binnen, naar de ontmoeting met God.

„Het klinkt misschien vreemd, maar ik heb de laatste jaren het gevoel dat ik er klaar voor ben. Nee, nee, nee, het hoeft nog lang niet afgelopen te zijn! Halleluja, zeg, ik heb nog zoveel plannen! Maar zo voel ik me: dankbaar en klaar om te gaan.”

Trouw 01.01.2011 - Arjan Visser