Onderhandelen met God
De opleving van de figuratie in de schilderkunst heeft de weg vrijgemaakt voor de terugkeer van christelijke symboliek. Schilder Marc Mulders stelde in de Udense abdij Maria Refugi een expositie samen van religieuze kunst. Zijn eigen werk hangt er tussen middeleeuwse kerksculpturen, prenten van Dürer, en werken van Anton Heyboer. „Waar je ook kijkt, overal stuit je op de horizontalen van de Piëta en de verticalen van de Kruisiging."
Is alle expliciet religieuze kunst, oud of nieuw, in wezen katholiek? Wandelend door een tentoonstelling in de abdij Maria Réfugié van de Zusters Birgitinessen in het Brabantse Uden dringt die vraag zich vanzelf op. Het is opvallend hoe de recente opleving van de figuratie in de beeldende kunst de weg heeft vrijgemaakt voor de terugkeer van christelijke iconografie en symboliek in met name de schilderkunst.
Maar het protestantisme, dat immers geen beeldende traditie heeft en het altijd heeft moeten stellen zonder heiligen, kruisbeeldjes en altaarstukken, lijkt niet te profiteren van een voorzichtige herleving van Kruisigingen, Beweningen en Opstandingen. Bij de prachtige expositie van de beeldencollectie van het Stedelijk Museum vorig jaar in de Amsterdamse Nieuwe Kerk kon men zien dat de Minimal Art zich zó perfect verhield tot de protestantse architectuur, dat die streng-abstracte kunst misschien de calvinistische kerkkunst van deze tijd is.
'Katholieke' kunst is dan het tegendeel hiervan: figuratief, geënt op een eeuwenlange picturale en sculpturale traditie waarin de grote religieuze thema's (en daarmee samenhangende grote gevoelens) zonder terughoudendheid worden getoond. In een vleugel van de Udense abdij is het Museum voor Religieuze Kunst gevestigd. De schilder Mare Mulders heeft daar een keuze uit de collectie samengesteld, aangevuld met particuliere bruiklenen en eigen werk. Dit door moderne kunstminnaars weinig bezochte museum herbergt behalve retabels en kerksculptuur overigens ook recente kunst van onder meer J.C.J. van der Heyden, Henk Visch en Mulders zelf.
De katholieke Mulders lijkt de aangewezen kunstenaar om zo'n expositie samen te stellen: zijn eigen schilderijen plaatst hij in een christelijke traditie en ze omvatten thema's als Ecce Homo, Kruisiging, Doornenkroon en Laatste Avondmaal-, Mulders grijpt terug naar de religieuze traditie die hem naar eigen zeggen de mogelijkheid verschaft deze inhoud — het Lijden van Christus, de Dood en de Herrijzenis' — hand in hand te laten gaan met de vorm waarin die wordt uitgedrukt. Mulders 'geselt' de verf en kerft erin zodat de pijn en het lijden van Christus haast fysiek voelbaar worden. Gelovig zijn omschrijft hij als het niet afzijdig blijven van onrecht om je heen, 'de mate waarin je je kwaad maakt'.
In Uden hangt hij zijn eigen werk tussen Middeleeuwse kerksculpturen, een altaarstuk, prenten van Dürer, etsen van Kollwitz en werken van Albert Servaes, Anton Heyboer en Hans van Hoek. Die navoelbaarheid van het Lijden lijkt Mulders' criterium te zijn bij de samenstelling van de expositie. Hedendaagse schilderkunst, die in zijn ogen louter vorm is, bij voor-" beeld het expressionisme, wijst hij af. Ingehouden rouw spreekt uit de drie kleine Pieta's die in de veertiende en vijftiende eeuw in Brabant door onbekende meesters zijn gemaakt. Een ervan toont Christus als een volwassen kind dat dood op de schoot van zijn moeder hangt; zij bezwijkt bijna onder hem, hij is groter dan zij — zo is haar lijden meer dan zij kan dragen. In een ander beeldje hebben houtwormen gaatjes gemaakt in het gezicht van de Moeder Gods, alsof het zilt van de tranen zich onuitwisbaar heeft ingebeten.
Weerloos geknakt
Mulders' eigen Piëta (1988) doemt door een dikke grijze verf- massa langzaam op; alleen de contouren zijn in zwart geschetst en herinneren aan Michelangelo's beeld van de zoon die achterover hangt in de schoot van zijn moeder, het hoofd weerloos geknakt. De kaarsrecht zittende Moeder en het Kind in haar armen vormen samen een kruis.
Ook de Ecce Homo van Mulders is een kruis in zijn meest rudimentaire vorm: Jezus heeft zijn armen gespreid in een gebaar van overgave. Door de soberheid van deze kleine tentoonstelling springen enkele visuele analogieën in het oog. De bovenzijde van het altaarstuk van 1520 uit eer. particuliere collectie waarop een Bewening is afgebeeld, is in het midden rond terwijl de zijpanelen diagonaal omhoog wijzen. De contouren van het stuk vormen zo een hoofd tussen twee gekruisigde armen. Waar je ook kijkt op deze expositie, overal stuit je op de horizontalen van de Piëta en de verticalen van de Kruisiging.
De verrassendste stukken zijn voor mij twee etsen van Käthe Kollwitz; haar werk wordt onder kunsthistorici veelal beschouwd als pamflettisme, omdat het te nadrukkelijk politiek bewogen zou zijn. Maar Mulders' keuze uit het oeuvre van deze 'moraliste' overtuigt: haar prenten behoren tot de ontroerendste van de aanwezige kunstwerken. Op de ene zien we een aapachtig wezen dat zich over een dood lichaam heenvouwt; deze Vrouw met dood kind kruipt bijna in de geliefde dode, ze wordt dierlijk in haar verdriet.
Naast haar eigen oude hoofd steekt het gladde, witmarmeren gezichtje van haar 'jong' af als de prooi waarin een vampier zich vastbijt. In Slagveld kijken we in een zwart landschap waarin donkere, roerloze gestaltes op de grond liggen. Als verlicht door een helle lamp licht een dood hoofd op dat op hetzelfde moment wordt aangeraakt door een eveneens helder-witte hand. Het is een aangrijpend beeld, die hand die op de tast het dierbare lichaam zoekt, en vindt. In het stikdonker is het de hand die herkent, niet het oog en ondanks de tragiek is dit een erotisch beeld.
Eén van drie kopergravures waarop Albrecht Dürer de Man van Smarten heeft afgebeeld, krijgt een dramatische lading doordat de kunstenaar zijn monogram direct naast het hoofd van de lijdende Jezus afbeeldde. Dürer suggereert dat het hier om een zelfportret gaat waarin zijn eigen leed tot uitdrukking wordt gebracht. Mulders' expositie in de Abdij is sober, om niet te zeggen somber.
De toon wordt bepaald door de naakte houten sculpturen, de zwarten en grijzen van de prenten en vooral van Mulders' eigen monumentale doeken. Door die strengheid ligt de associatie met het protestantisme voor de hand, tenminste voor wie katholicisme in verband brengt met kinderlijke, kermisachtige heiligenbeelden in pastelkleuren, kleurige bidprentjes en glanzende rozenkransen, kaarslicht weerkaatsende monstransen met geheimzinnige relikwieën. Maar de visuele rijkdom van de katholieke cultuur is benijdenswaardig, hoe irreëel de Kruisiging voor buitenstaanders ook is. Het moet heerlijk zijn om over symbolen te beschikken die uitdrukking geven aan persoonlijk verdriet, gemis of rouw. Vergeleken met de strenge kaalslag van de protestantse kerkinterieurs is de katholieke kerk haast gezellig.
Ontroering
De grootste troef van het katholicisme is Maria, de meest menselijke van alle heiligen, met wie het makkelijk vereenzelvigen is. De rouwende Moeder Gods is eigenlijk veel ontroerender, want menselijker dan de voor een abstract doel lijdende Christus. En precies die ontroering of vereenzelviging moeten de protestanten ontberen; op een enkele uitzondering na. In Uden is een houten beeldje te zien dat veel meer tot de verbeelding spreekt van protestanten dan van katholieken. Het is een 'volksdevotioneel' sculptuurtje van Job, eenzaam gezeten op een boomstronk. Zijn lichaam is overdekt met zweren waarmee de Duivel hem heeft .geslagen om hem te beproeven. Job heft zijn hoofd op naar de hemel en opent daarbij zijn mond om te spreken. Job immers is de man die praat met God, die het niet neemt dat hem zonder enige reden de ene slag na de andere wordt toegebracht.
Voor vrijzinnig protestanten is Job een van de belangrijkste Bijbelse figuren: hij gaat in discussie met God en krijgt antwoord. Katholieken mogen dan Maria hebben die zich schikt in haar lijden en daarin een troostend voorbeeld is, protestanten hebben Job als mondige onderhandelaar. Kijkend naar deze Job die zijn mond opent om te protesteren, besef ik ineens hoezeer het protestantisme het geloof van het Woord is en het katholicisme dat van het Beeld. Zo bezien is Mulders' tentoonstelling in Uden uiteindelijk toch katholiek: hier wordt gezwegen, men aanvaardt het lijden in overgave aan God. Het is van tweeën één: de protestanten praten terug, en voor straf moeten zij het in hun kerken daarom tot in lengte van dagen zien te redden zonder beeldende kunst. Als er bij uitzondering eens een schilderijtje of plastiekje in hun domein verzeild raakt, dan is dat — noodzakelijkerwijs — abstract. Protestanten zijn geboren Modernisten.
NRC Handelsblad 17.08.1993 - Renée Steenbergen